maandag, maart 07, 2005

Het herschrijven van de geschiedenis

Enkele jaren geleden werd in de Amerikaanse film ‘U-571’ de als één van de sleutelmomenten van de Tweede Wereldoorlog beschouwde verovering van het codeerapparaat Enigma valselijk toegeschreven aan de Amerikaanse Strijdmachten. Engelse en Australische veteranen, die de werkelijke helden van het verhaal waren geweest, en historici protesteerden tegen het feit dat de geschiedenis geweld aan werd gedaan uit commerciële overwegingen. Kennelijk schatten de producenten van de film het Amerikaanse publiek als zo etnocentrisch in dat zelfs de heldhaftigheid van de toch nauw verwante Engelse en Australische wapenbroeders niet verdragen zou worden.

Ondanks de verontwaardiging staat het geval “Enigma” geenszins op zichzelf, zelfs als we het meest klassieke geval van etnocentrische geschiedvervalsing, de blonde Jezus met de blauwe ogen, niet mee zouden rekenen. In een andere militaire verfilming ‘Black Hawk Down’, worden de lotgevallen van het Amerikaanse contingent in Somalië niet alleen bijzonder subjectief weergegeven, wat nog op enige mate van begrip zou kunnen rekenen, maar wordt er ronduit gelogen over daadwerkelijk belangrijke details van het verhaal. In werkelijkheid werden de Amerikaanse troepen nadat ze in het nauw waren gedreven en er enkele doden waren gevallen, bevrijd door een toesnellende Turkse eenheid, en niet door een Amerikaanse eenheid. Kennelijk was ook hier volgens de filmmakers heldhaftigheid in oorlogstijden niet toevertrouwd aan bondgenoten. En ook bij verfilmingen van minder historisch verifiëerbare gebeurtenissen gaan filmmakers in de fout: in de film ‘Troy’ over de Trojaanse oorlog worden de Griekse hoofdpersonen gespeeld door blonde, blauwogige helden, zoals Brad Pitt.

Het is verleidelijk dit soort “dramatiseringen” lacherig af te doen als een voorbeeld van het simplisme waarmee Hollywood werkt. Films zijn geen geschiedenisboeken en realisme wordt vaak eerder als storend dan als noodzakelijk beschouwd. Werd in “Independence Day” een buitenaardse overmacht niet verslagen door het inbrengen van een computervirus? En dat in een wereld waarin Apple Mac’s en Windows-PC’s niet eens met elkaar kunnen communiceren. En zijn oorlogsfilms niet altijd al instrumenten van propaganda geweest? Dus: hoe verbazingwekkend is het dan dat in Amerikaanse films over de Vietnam-oorlog de Amerikanen achteraf toch gewonnen lijken te hebben?

Toch staat een nauwkeuriger inspectie geen andere conclusie toe dan dat dit soort incidenten hoe onschuldig ze ook mogen lijken, bij nader inzien wellicht indicaties van een minder onschuldig en minder incidenteel proces, van een trend zijn. Er lijkt een al dan niet bewuste media-propaganda-campagne te woeden teneinde de blanke mens, en liefst de blanke Amerikaan, als intrinsiek goed te etaleren. Alle heldhaftigheden worden toegeschreven aan het door Hollywood ontworpen, Noordwest-Europees aandoende, ideaalvolk, waarbij zelfs het herschrijven van de nabije geschiedenis niet geschuwd wordt. Als compromis aan de politieke correctheid mogen goed geassimileerde zwarten en latino’s opdraven voor iets minder heldhaftige, maar wel vaak bijzondere edele bijrollen, losjes gebaseerd op Rousseau. Helaas staan deze Nobele Wilden wel meestal bovenaan de lijst met ‘casualties’.

De Amerikaanse filmindustrie staat hierin overigens niet alleen. Ook de recente discussies omtrent de Europese kernwaarden en de vermeende incompatibiliteit daarmee van wat moedwillig homogeniserend de islamitische cultuur wordt genoemd, kunnen als een onderdeel van deze trend van etnocentrische herschrijving van de geschiedenis beschouwd worden. Conservatieve denkers zoals Paul Cliteur schrijven allereerst universele waarden toe aan wat de joods-christelijke Europese cultuur wordt genoemd, om vervolgens de intellectuele diefstal af te maken met een onvervalst valse vergelijking met de stroman van die zogenaamde islamitische cultuur. Dat die vergelijking de superioriteit van de Europese cultuur aantoont in dit wonderlijke denkraam lijdt geen twijfel.

Het exclusief toeschrijven van waarden als de gelijkwaardigheid van alle mensen, de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, waarden als het recht op zelfbeschikking, waarden als individuele godsdienstvrijheid aan die eveneens moedwillig gehomogeniseerde en selectief belichte joods-christelijke Europese cultuur is een in potentie zeer gevaarlijke vorm van etnocentrisme. De islamitische denker Haci Bektash-i Veli omschreef deze zelfde waarden al in de twaalfde eeuw van onze jaartelling als die van zijn interpretatie van zijn geloof, en ongeveer honderdduizend van zijn volgelingen leven in Nederland vandaag de dag. Boeddhisme en verscheidene animistische stromingen verkondigden de gelijkwaardigheid van alle menselijke wezens al eeuwen daarvoor. En tegelijkertijd worden in zowel Christendom als Jodendom vandaag de dag nog steeds door niet te bagatelliseren grote groepen de ongelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, of de zondigheid van homoseksuelen verkondigd.

De huidige trend om de zogenaamde waarden van de Verlichting exclusief aan de Europese cultuur toe te schrijven is dan ook niet anders te waarderen dan als een moedwillige poging om de eigen superioriteit, en daarmee de inferioriteit van wat als tegenstander gezien wordt, desnoods met leugens te staven. Om desnoods de geschiedenis te herschrijven als dat zo uitkomt. Opportunisme noemen we dat. Maar opportunisme heeft een doel: de moedwil kunnen we vaststellen, maar naar het doel kan alleen gegist worden. Mijn gok is dat de Cliteurs van deze tijd de voedingsbodem van een nieuwe inrichting van de wereld voorbereiden. Een wereld die gebaseerd is op de ongelijkwaardigheid van mensen. Erg verlicht, hoor.