De Dwaas
een oud verhaal van De Verhalenverteller
De oude Dwaas op de heuvel wist niet hoe lang hij al op de heuvel leefde: veertien jaar, veertig jaar, en wat maakte het uit? Ze hadden hem uit hun Stad gejaagd en nu leefde hij hier, dit was zijn thuis. In het bos, in een grot, onder de koude sterrenhemel, hij sliep waar het hem uitkwam. En als het bos hem niet genoeg te eten gaf in de winter, dan nam hij wat van de offergiften die de Stadbewoners hem brachten, want hij mocht dan wel een Dwaas zijn, hij was wel een heilige Dwaas.
Hij wist niet hoe lang het geleden was dat ze hem verjoegen, dus hij wist ook niet hoe lang hij al niet meer had gesproken, toen ze hem terug kwamen halen. Zijn 'Nee' had roestig geklonken, misschien was dat wel de reden dat ze het hadden genegeerd.
De Stadsbewoners waren er achtergekomen dat hij ten onrechte voor Dwaas was uitgemaakt en was verjaagd. Ze hadden vastgesteld dat niet hij, maar de Wijze die hem had veroordeeld de Dwaas was en hij juist de Wijze. Ze vertelden hem dat ze waren gekomen om hem om vergeving te smeken en hem mee te nemen, zodat hij zijn oude status als Stadswijze weer kon innemen.
Hij zei: ‘Nee.’
Maar ze luisterden niet.
Ze tilden hem op en zetten hem in de koets. Ze reden hem naar de Stad. De koets stopte voor de Tempel.
Hij zei: ‘Nee.’
Maar ze luisterden niet.
Zij zeiden: ‘Vergeef ons, Wijze, wij, onze ouders, wij hadden ons vergist, we waren misleid. Maar na jaren van studie en het bezinken van onze gedachten, hebben we beseft dat u de ware Wijze bent. Vergeef ons en neem uw plaats als Stadswijze weer in. We zullen naar u luisteren en u eren zoals het hoort.’
Hij zei: ‘Nee.’
Maar ze luisterden niet.
Ze brachten hem naar de tempel, ze lieten hem baden, ze kleedden hem in gewaden die zijn ambt waardig waren en ze verlieten hem. De Dwaas zei 'Nee' tegen zichzelf, trok zijn oude kleren weer aan en ontvluchtte het pand in het donker. Hij liep weer terug naar de heuvel, zo snel als zijn oude benen hem droegen. Hij ging zitten op de top en keek naar de maan en luisterde naar het bos.
En de maan en het bos zeiden: ‘Wat doe je nou, oude dwaas? Wat valt er te missen aan deze heuvel? Je hebt al die tijd geweten dat jij geen Dwaas bent maar een Wijze en nu de stedelingen het erkennen, gedraag je je als een Dwaas. Jouw plaats is de tempel, jouw taak het onderwijzen van kennis. Dus leg je dwaasheid af en ga terug naar je tempel. Vertel ze wat wijsheid is en wat het tegendeel van wijsheid is. Onderwijs de Stad en zorg ervoor dat je wijsheid voor eeuwig als zodanig erkend zal worden, want wijs dat ben je, dat weten wij. Ga weg, en laat het hun weten.’
En de Wijze wist dat ze gelijk hadden.
Hij zei: ‘Ja.’ En de maan en het bos hoorden hem.
Toen hij ’s ochtends aankwam in de Stad, was zijn vlucht al opgemerkt en alle stedelingen stonden ongerust op het plein, maar zijn terugkeer zorgde voor een grote vreugde.
De stedelingen wilden hem op de schouders nemen, maar hij zei: ‘Nee!’
En ze hoorden hem.
Hij vroeg: ‘Willen jullie dat ik de Wijze van jullie stad word?’
En de stedelingen zeiden: ‘Ja!’
Hij vroeg: ‘Zullen jullie mij altijd eren als jullie Wijze?’
En de stedelingen zeiden: ‘Ja!’
Hij vroeg: ‘Zullen jullie alles doen wat ik zeg?’
De stedelingen dachten even na en zeiden: ‘Ja!’
Hij vroeg weer: ‘Zullen jullie alles doen wat ik zeg?’
En de stedelingen zeiden: ‘Ja!’
En hij zei:
‘Verbrand de Tempel.’

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home