dinsdag, april 05, 2005

Het nieuwe taboe

door Aslan Aslanoğlu


In de weken voor het besluit van de EU omtrent het al dan niet beginnen van toetredingsonderhandelingen met Turkije liepen de gemoederen hoog op. Discussies ontspoorden en emoties laaiden op. In de Volkskrant verscheen er in die tijd ook een soundbite van René Cuperus, onderzoeker van de Wiardi Beckman Stichting. De modieuze ongenuanceerdheid van zijn uitspraken irriteerde mij persoonlijk zozeer dat ik mijn beklag deed bij de WBS middels een e-mail, waarin ik het verwijt uitte dat uit de denktank van de PvdA de laatste jaren wel erg vaak rechtse geluiden kwamen. Cuperus reageerde zelf en vroeg mij te beargumenteren waarom zijn standpunt rechts zou zijn. De Chinese volkswijsheid dat je nooit een brief moet schrijven als je boos bent half negerend schreef ik een lange mail, waarin ik mijn standpunt in mijn ogen redelijk succesvol staafde met argumenten.

Tot mijn verbazing antwoordde Cuperus echter dat hij de discussie met mij niet voort wenste te zetten aangezien ik had gesproken van het spelen van ‘de racistische kaart’. Let wel, ik had niet Cuperus zelf maar iemand anders ervan beschuldigd deze tactiek te bezigen. Maar dat was voor Cuperus genoeg om mij een niet-serieus discussieniveau te verwijten.

Dat verwijt is in mijn ogen onderdeel van een trend: het wijzen op racisme, of zelfs het gebruiken van de term is verworden tot een taboe. Wijzen op racisme of op het mogelijke gevolg discriminatie is een politiek correct zwaktebod in deze optiek en dient alleen om de aandacht af te leiden van ‘de werkelijkheid’. Die werkelijkheid is dan kennelijk een daadwerkelijk bestaand verschil tussen lieden van verschillende rassen. En de verfoeide politieke correctheid niets meer dan een chique vorm van censuur, de mantel der liefde.

Wat is eigenlijk racisme? Volgens de Van Dale: “het uiten van minachting, vijandigheid of haat van het ene ras jegens een ander, voortkomend uit een gevoel van meerwaarde”. Dat klinkt niet als iets wat zelden tot nooit kan voorkomen, zou ik zeggen. De meer wetenschappelijke definitie is volgens de Encyclopedia Britannica: “a belief that race is the primary determinant of human traits and capacities and that racial differences produce an inherent superiority of a particular race”. Ook dat klinkt als iets wat op elke straathoek aangetroffen kan worden, is mijn persoonlijke oordeel. En wie had ik eigenlijk beschuldigd van het spelen van die racistische kaart? Het betrof Geert Wilders, en wel vanwege zijn stelling “Turkije mag nooit toetreden tot de EU” en de argumenten die hij gebruikte om die stelling te onderbouwen.

Hoe onredelijk of onserieus was mijn aantijging aan Wilders’ adres dan? Laten we dat eens nuchter analyseren. Het sleutelwoord in de stelling “Turkije mag nooit toetreden tot de EU” is natuurlijk het woord ‘nooit’. Wat betekent ‘nooit’? Het betekent dat Turkije niet mag toetreden tot de EU van Wilders zelfs al zou het naar objectieve maatstaven voldoen aan elke redelijke eis die je zou kunnen stellen. Het betekent dat Turkije niet tot de EU zou mogen toetreden zelfs al zouden we honderd jaar verder zijn en het aangezicht van de wereld wellicht geheel gewijzigd. Zelfs als de Turkse bevolking zich als bij toverslag tot de christelijke dan wel seculiere godsdienst zou bekeren zou een toetreding van het land onacceptabel zijn voor Wilders. Zelfs als Turkije het rijkste, meest ontwikkelde land ter wereld zou zijn. Maar wat zou dan precies die verandering zijn die plaatsvindt wanneer we de Bulgaarse of Griekse grens oversteken? Wat is dan precies die voorwaarde waaraan Turkije nooit zou kunnen voldoen? En betekent dat dan impliciet dat Turken intrinsiek inferieur zijn, aangezien ze nooit (‘maar dan ook nooit!’) kunnen reiken tot het noodzakelijke niveau?

En nu we toch vragen aan het stellen zijn: hoe reëel is het om te beweren dat de discussie omtrent de toetreding van Turkije en vooral de argumenten die daarbij gebruikt worden geen invloed of toepassing hebben op de Turkse Nederlanders? Hoe zou een argument als dat de cultuur van Turkije incompatibel zou zijn met de Europese normen niet ook reflecteren op onze migranten? En wat zou dat betekenen?

We weten natuurlijk dat leken graag allerlei naïeve theorieën om niet te zeggen fabeltjes aanhangen over de determinanten van gedrag. En we weten dat allerlei opportunisten nog grager dat soort theorieën voor hun karretje spannen voor eigen gewin. Maar we leven inmiddels ook al in een land waarin iemand als Gabriël van den Brink, cultuursocioloog, wetenschapper, een individuele daad, te weten de moord van een scholier op zijn conrector, in zijn geheel wist te verklaren aan de hand van diens afkomst. Het feit dat dit individu uit een crimineel en disfunctioneel gezin kwam, een beperkt cognitief niveau had, ten tijde van de daad onder invloed van drugs en drank verkeerde en aan een wapen kon komen, speelden bij zijn ontsporing kennelijk een te verwaarlozen rol in verhouding tot het feit dat hij van Turkse afkomst (‘schaamtecultuur!’) was. Dat in de Turkse cultuur de status van een leraar bijna die van een heilige is, bleek overigens ook irrelevant voor een cultuursociologische analyse. In hoeverre spelen zulke oversimplificerende en in feite ridicule ideeën een rol bij de bovengenoemde discussie, of in het zogenaamde ‘integratiedebat’ tout court?

Als Geert Wilders ten tijde van de commotie rondom de dood van een tasjesdief roept dat raddraaiers van Marokkaanse origine naar ‘het eigen land’ moeten worden teruggestuurd, beweert hij dan niet impliciet dat het gedrag van een individu verklaard wordt door zijn etnische afkomst, al is hij of zij geboren en getogen in een ander land? Beweert Wilders wanneer hij een onoverbrugbaar verschil tussen Europese (Bulgarije) en niet-Europese landen (Turkije) constateert, niet dat culturele verschillen berusten op etnische, of laten we het anders noemen, raciale verschillen? Volgens onderzoekers als sociaal-psycholoog Van Oudenhoven is er in vrijwel elk land een kwart tot een derde van de bevolking dat er tenminste impliciet ultranationalistische en xenofobe ideeën op nahoudt. Is het dan heel erg onwaarschijnlijk dat een opportunistische politicus gebruik zou kunnen proberen te maken van die gevoelens die er bij die delen van de bevolking leven? Anders geformuleerd: is het onmogelijk dat in een land als Nederland een politicus de racistische kaart (een vrije vertaling van de beproefde Republikeinse tactiek van the race card) speelt uit electoraal winstbejag? Of is zelfs het insinueren van zulks onfatsoenlijk, onserieus, incorrect?

We leven in een tijd waarin ‘het benoemen’ van allerlei dingen als een groot goed wordt beschouwd. Dat benoemen hoeft daarbij geenszins goed beargumenteerd of zelfs rationeel en valide te zijn, zo is gebleken. Maar racisme als zodanig benoemen is kennelijk niet bon ton. Ik doe het toch: wie beweert, expliciet dan wel impliciet, dat landen, en daarmee volkeren, intrinsiek inferieur zijn of dat ras of etniciteit de belangrijkste determinant van gedrag is, doet racistische uitspraken. Dat is wat mij betreft prima, net als het aanhangen van de bijbehorende theorieën. Ik excommuniceer niemand, en claim niet het morele gelijk. Maar ik laat mij evenmin beroven van het recht om het beestje bij de naam te noemen, to call it as I see it, ook al is dat verboden in de nieuwe politieke correctheid.