donderdag, juni 30, 2005

Koortsdroom - 9

"De setting is één of andere Amerikaans aandoende suburb. Zelfs onze dromen zijn Amerikaans geworden. In ieder geval is het nacht en er heerst paniek. Aliens/demonen o.i.d. vallen aan. Mensen gillen in hun huizen. Ik ben niet bang. Ik weet dat ik droom, denk ik.
Tussen de huizen en op de opritten geparkeerde auto's door zie ik ze naderen, de engerds. Om de één of andere reden kunnen ze zich veranderen in grote honden, superalienhonden. Ik ben niet bang.
Hun leider is een witte hond. Een soort herder, maar dan wit. Ik weet dat ik droom, op een bepaald niveau. Mijn droomego weet dat hij droomt. En hij weet dat hij zich ook in een hond kan veranderen. Ik probeer me te herinneren (of is hij het?) hoe honden met elkaar vechten, hoe ze elkaar afmaken. Ze bijten elkaar de keel dicht en verscheuren elkaar.
Ik zal de gillende mensen beschermen, weet ik. Ik jaag de aliendemonenhondenleider op. Hij is bang. En terecht, dit is mijn droom, hij is machteloos. Ik bijt hem in zijn strot. Ik verscheur hem."

donderdag, juni 23, 2005

Koortsdroom - 8

Een Turks spreekwoord luidt: ‘Gelukkig heeft God de kameel geen vleugels gegeven.’ Kamelen zijn erg onhandige beesten, schijnt het. Ze lopen alles overhoop, breken elke pot, elke poot die ze op hun weg vinden. Als ze nou ook nog eens vleugels zouden hebben, zouden ze ook nog schade op de daken kunnen aanbrengen, dat is zo’n beetje het idee achter het gezegde. In Turkije hadden huizen vaak platte daken waarop men van alles te drogen legde. Abrikozen, tomaten, aubergines, je weet wel, van alles. Dit is nog eens een lange uitleg van een spreekwoord. En we zijn nog niet eens klaar. De Turken zeggen het als iemand gelukkig de macht, kracht, intelligentie of wat dan ook ontbeert om nog meer schade aan te richten dan hij nu al doet, as it is, zeg maar. Nou, God had bij Aslan een foutje gemaakt.

Aslan Aslanoğlu woog 95 kilogram schoon aan de haak, zoals dat schijnt te heten. En er zat nog geen kilogram vet aan. Het eerste wat hij deed als hij wakker werd, wanneer hij dan ook maar wakker werd, was een sigaret roken, en het tweede was een duurloop van minimaal tien kilometer. Elke dag werden nodeloos gewichten opgetild en weer neergelegd, honderden kilo’s, honderden malen. En zeg nou zelf, een man met een lontje zo kort als, tja, laten we maar zeggen bijna zonder lontje, zo’n man een lichaam van staal geven is toch als het geven van vleugels aan een kameel. Absentee landlord? Een andere metafoor dringt zich op.

maandag, juni 20, 2005

Koortsdroom - 7

‘In het begin is het probleem dat je je dromen niet herinnert. Het gekke is overigens dat vrouwen vaker hun dromen herinneren dan mannen, hoewel dat geen statistisch significante uitspraak is en totaal terzijde.’ Even dagdroomde hij voor de verandering. ‘Dat moet ik later maar eens gaan onderzoeken.’

‘Ga alsjeblieft even verder, Aslan!’ Assertiviteit tegenover intimi is geen assertiviteit.

‘Ja, ja, ja! Nou, in het begin moet je op de één of andere manier aanleren je dromen te herinneren. Probeer als je wakker wordt je droom vast te houden. Niet alles ineens, die fout maak je al snel. Hou de laatste scène vast en ontrafel achteruit. Vergt oefening, I’m telling you, brother.’ Aslan’s ogen stonden onscherp, alsof zijn object zich in een andere wereld bevond. Aslan keek uit over vergezichten die niet zichtbaar waren voor zijn gehoor.

‘En dan?’, spoorde Z. hem aan terug te keren.

‘Dan leer je je dromen kennen. Dan leer je waar je zoal mee bezig bent ’s nachts.’ Aslan was nog niet gearriveerd.

‘Ga verder, ik wil weten hoe je leert vliegen.’

‘Ik blijk hele verhalen te dromen, man!’ Z. was helemaal niet geïnteresseerd in wat Aslan droomde, maar wist ook dat er geen houden aan was. ‘Vannacht droomde ik één of ander scifi-fantasy-verhaal, hoewel mijn rol niet helemaal duidelijk was aangezien ikzelf iemand ander was of zoiets.’

‘En dan kan je vliegen?’, probeerde Z. nog maar eens.

Aslan keek hem recht in de ogen.

‘Nee, dan kan je niet vliegen. Als je wilt horen wat ik te vertellen heb, dan moet je luisteren naar wat ik te vertellen heb, vriend.’ Assertiviteit tegenover intimi is geen assertiviteit, maar intimiteit. IJzig klonk het toch. ‘Wat heb ik je nou verteld: er zijn geen short cuts. Als je niet de hele weg aflegt, dan kom je niet aan.’

donderdag, juni 16, 2005

Koortsdroom - 6

Hoofdstuk 4

Het zou verkeerd zijn om te beweren dat Aslan geen regelmaat kende, hij deinde gewoon niet op de grote stroom. Elke dag rees hij op een ander tijdstip uit de kleine dood, en elke dag gaf hij zich er op een ander tijdstip weer aan over. Soms midden in de nacht, soms aan het eind van de middag, en elk tijdtstip daartussen. En elke dag werd hij vermoeider wakker dan hij de nacht (of dag) ervoor was gaan slapen. De slaap bracht hem geen rust, geen verkwikking, zo leek het. Hij had zijn bed al gemeden voordat hij het zich had beseft. Al jaren was slaap een noodzakelijk kwaad dat hij zo lang mogelijk uitstelde en tot een minimum probeerde te beperken. Alleen volledige uitputting, bedwelming, of een combinatie van beide konden hem doen capituleren.

Slechts gekleed in Wibra-onderbroek en tatoeages wankelde Aslan Aslanoğlu door zijn kamer van 5 bij 4. Zonder enig blijk van oriëntatie verkende hij de kamer. Na een paar minuten had hij gevonden wat hij blijkbaar zocht. Zijn hoofd schuddend haalde hij een met dikke lagen tape ondergeplakte wekker uit de rieten was mand in een hoek van de kamer. Het was zeven over drie ’s nachts.

Het was te vroeg om te gaan werken, en te laat om de stad in te gaan voor een tijdelijke ontsnapping. Bij het licht van de computermonitor pulkte Aslan de restjes tabak uit peuken in zijn asbak. Hij prijsde zich gelukkig met de vloeitjes, een dubbele laag krantenpapier was ook mogelijk, maar rookte toch een stuk minder. Tevreden, maar zich volledig beseffend dat hij over een paar minuten zonder rookwaar zat, stak hij het shaggie met dubbelgerookte tabak aan en opende HetRealistischManifest.doc, zijn levenswerk in wording. Met grijnzende zelfliefde las hij de laatste alinea die hij had geschreven:

Wat we nodig hebben is wat meer realiteitszin. Wat we nodig hebben is dat de schellen van onze ogen vallen. Wat we nodig hebben is iemand die ons wakker schudt.

Maar wie vertelt de vertegenwoordiger, verzekeraar, it-er, en aanverwanten die na een dag vertegenwoordigen, verzekeren, it-en of aanverwante activiteiten met nickname als ‘zwoeger’ of ‘hardewerker’ zijn ongefilterde ongenoegen, domheid en wanen op internetfora verspreidt dat vertegenwoordigen, verzekeren, it-en of aanverwante activiteiten geen echt werk zijn, en al helemaal geen hard werk. Wie vertelt onze brave burgers dat die dure auto, dat dure huis, die dure meubels, die dure badkamers, computers, home-cinema’s, digitale camera’s, tom-tom-ik-kan-de-weg-niet-vinden-units, carpaccio’s, wijnen, honden, kinderen, hypotheken, verzekeringen, geen geboorterecht zijn, maar luxeartikelen. Geen zuurverdiende eigendommen, maar geplunderde waar. Dat er geen stroom is zonder hoogteverschillen. Maar dat de stroom de verkeerde richting instroomt. En dat dat voorbij is. Wie vertelt onze lieve mensen dat?

We hebben een vrijwilliger nodig.

Het was drie maanden geleden dat hij dit had geschreven. Hij voelde de woorden branden in verwondering. Hij was niet meer zo zeker of hij die vrijwilliger nog wel wilde zijn. Met een blik op zijn onopgemaakte bed herinnerde hij zich iets anders. Misschien moest hij nog maar even gaan slapen.

vrijdag, juni 10, 2005

Koortsdroom -5

Hoofdstuk 3

“Hij (ik?) stond op een soort platform, een houten ding, zeker vijftig meter boven de grond. Beneden was het onveilig. Aan de randen van het platform staken de toppen van de bomen uit waarop het gebouwd was. Als ik erover nadenk was het onduidelijk hoe het hele zootje in evenwicht bleef. Hij stond bij een een touwladder dat hem naar beneden zou leiden, verderop stond een vrouw. Een mooie, grote vrouw met kort blond haar. Zij was niet wie zij leek te zijn. Of zoiets. Er was nog iemand. Soms leek het alsof ik die derde persoon was, soms was ik de hoofdrolspeler. De hoofdrolspeler, die vent op het platform, was gekleed in een soort Hollywood-lappentuniek, net als de mooie vrouw. De derde persoon was onzichtbaar. Of zoiets. Ik, de man in de tuniek, had een baard. Een weinig stoere Griekse heldenbaard. Ik klom naar beneden. Ik, de onzichtbare, zag hem het bos inlopen. Hij moest iets belangrijks, gevaarlijks doen. Ik kan me niet meer herinneren wat het was. De vrouw klom ook naar beneden, ongezien, behalve door mij. Maar zij was veel sneller. Dat maakte duidelijk dat zij bezeten was of geen mens of zoiets. Zoiets. Ze volgde hem, de held, het bos in. Het was allemaal erg spannend.

Ik werd wakker, en realiseerde me dat ik gedroomd had en dat ik me die droom herinnerde. Ik wilde verder slapen, ik wilde weten hoe het verder ging, maar ik moest pissen. Daarna heb ik wel weer gedroomd, maar die droom herinner ik me niet meer.”

Dit schreef Aslan Aslanoğlu in zijn droomdagboek. Hij moest zich zijn dromen herinneren. Het zou hem helpen.